Overslaan naar inhoud

Lichamen tussen Eros en Thanatos

het onzegbare in de kunst van Kat Bové, Em. Prof. Freddy Decreus
31 mei 2026 in
Lichamen tussen Eros en Thanatos
Stichting DeNode, Kristof Vander Cruyssen


De Britse onderzoekster Caroline Criado Perez publiceerde in 2019 ‘Onzichtbare vrouwen’, een werk dat inmiddels in vele talen werd vertaald. Daarin toont zij hoe onze kennis van lichaam en gedachten nog steeds overwegend mannelijk is gevormd. Tot vandaag geldt in de farmaceutische industrie de man als standaardpatiënt, stabieler, zo zegt men, minder onderhevig aan hormonale schommelingen. Met  structurele onderfinanciering van onderzoek tot gevolg. Je zou zo kunnen denken: als endometriose mannen trof, was het probleem allang opgelost.

 

In dit krachtenveld wil ik het werk van Kat Bové (°1984) situeren: een veld van framing, van zichtbare en onzichtbare kaders die onze gedachten en handelingen sturen. Een westers, patriarchaal en economisch wereldbeeld dat lichamen en geesten disciplineert (Foucault). En dus werd de vrouw gedacht de absoluut Andere te zijn, complex, duister, ongrijpbaar. In de taal zelf kreeg zij moeilijk vorm, van vele beroepen bestaat nog steeds geen vrouwelijk equivalent. In de joods-kristelijke godsdienst werd zij netjes opzijgeschoven, ondergewaardeerd, schuldig gehouden. “Als God mannelijk is, dan is de man God,” schreef Mary Daly. Zo werd de vrouw toegewezen aan ambiguïteit, zonde, en kreeg ze permanent de tweede plaats.

 

Hier begint het verhaal van Kat Bové, hier starten haar actie en reactie. Het begint goed, als je op haar werken leest: ‘Krijg toch allemaal de kleure, val voor mijn part allemaal rood’, of ook nog ‘Fük yü, ik doe toch mijn güsting’.



 

Als een mythische Salomé presenteert zij trots het afgehakte hoofd van Johannes de Doper. Een iconisch beeld van een vrouw die de passiviteit weigert, die niet langer slechts spiegel wil zijn van mannelijke projecties. In haar werk belichaamt Salomé de angst én het verlangen die vrouwelijke seksualiteit oproept: een figuur van transgressie die onthult dat de bestaande orde geen natuurwet is, maar een constructie. In de centrale triptiek van ‘Minsterwood’, Wayn Traubs grandioze tentoonstelling in de River City Gallery te Bangkok (januari-maart 2026), verschijnt zij bovenaan het altaarstuk, triomferend, het hoofd badend in gouden aureool, de hand rustend op het zwaard.

 

Vanuit een bevrijd lichaam gaat ze in de tegenaanval. Haar praktijk is tegelijk autobiografisch en kunsthistorisch. Humor en melancholie kruisen elkaar voortdurend en tekenen een naamloos parcours uit waar kwetsbaarheid en intimiteit, pijn en heling botsen en versmelten. Daarom nodigt zij ons uit in haar eigenste liminale ruimte, een verschuivende drempel waar taboe, verbod en verlangen elkaar raken.

 

Haar toon is onvergetelijk: oneerbiedig, opstandig, hot. Voor onze ogen ontstaat een nieuwe mythologie, met oude kaders die openbarsten en nieuwe die fascineren en doen huiveren. Dringend wordt het om anders te gaan denken, om weer te gaan dromen over werelden die al te lang gesloten bleven.

 

Sinds 2022, via een dagelijkse blik op haarzelf, zijn de maskers gevallen. Op Instagram losten de lagen sociale vernis op, blootgesteld aan de verwonderde blik van de wereld. Sindsdien bestaat Kat artistiek ‘live’, in een voortdurende zelftentoonstelling: een intieme performance die zij ‘Kat-alogus’ noemt, geen dagboek, maar een plaats van onthulling, een innerlijke ruimte waarin zij woont.

 

‘Give me a sketchbook to live in’: zo opent en sluit het kunstboek uitgegeven in 2026 door de Stichting DeNode in Gent, haast 300 p. dik, een juweeltje om te koesteren. Meer dan twintig jaar innerlijke strijd tekenen zich erin af, bevolkt door engelen en demonen. Het begint met de waarschuwing, DON’T READ A WORD IN THIS DIARY, OTHERWISE KARMA WILL FIND YOU en eindigt met een vervloeking, FUCK DE MENSEN. Daartussen: het verlangen en tegelijk de weigering om te spreken en aanwezig te zijn in een wereld die vaak aanvoelt als absurd, leeg en grotesk.

Zoals bij Bracha Ettinger, wier figuren verschijnen en verdwijnen op de grens van de schaduw, zijn Kats lichamen nooit volledig aanwezig of afwezig. Ze drijven in een ruimte doordrongen van archaïsche beelden, reizende archetypen. We ontmoeten er oermoeders, voorouderlijke godinnen, getekend in ruwe, bijna wilde gebaren. Een schilderkunst van het essentiële, op zoek naar het ongrijpbare. Verlangen, passie, schrijnende eenzaamheid — alles komt naar de oppervlakte. De lichamen, als in trance, verschijnen in werelden die men, met Rudolf Otto, fascinans en tremendum zou kunnen noemen: tegelijk verleidelijk en verontrustend, aantrekkend en angstaanjagend.

 

De huid lijkt nabij, tastbaar bijna, provocerende uitnodiging voor eenieders blik. De herhaling van identieke lichamen werkt hypnotiserend, steeds geladen met intimiteit en sensualiteit, ook beladen met ontregeling en weerbarstigheid.  Lichamen verlangen, lijden, putten zich uit, falen vaak, want een duistere energie woont in hen. Lichamen vangen iets op, stralen het uit, openen zich en stoten weer af. Misschien imploderen ze. Misschien exploderen ze.


 

Kats vrouwen zijn sjamanistische prinsessen. Ze lijken in gesprek met andere werelden en leven in  overgangszones die het menselijke overstijgen. In deze Tussenwerelden spreken emoties elkaar tegen: willen voelen, niet kunnen voelen, een terugkerend verlangen naar de wonde midden het geluk. En in het hart van deze ruimte verschijnt De Eerste Schreeuw, een krachtige hommage aan Munch, komt ook zijn naakte Madonna in beeld, verloren gewaande sacraliteit in soms reeds  verloren gewaande tijden. Waarom bewonen Schreeuw en Madonna haar innerlijke wereld? Uit sociale angst? Existentiële onrust? Gebroken relaties? Of uit kosmische duizeling? Eén ding blijft: iets overstijgt, ontsnapt, herhaalt zich, vermenigvuldigt zich. Vrouwelijke lichamen bewegen tussen volheid en leegte, tussen aantrekking en afstoting, middenin velden van spanning en transgressie.

 

Waar Irigaray de vrouw nog gevangen zag in een mannelijke taal, schept Kat een nieuwe relatie tussen woord en lichaam. De lichamen spreken. Ze antwoorden, spreken tegen, bevragen het beeld dat zij zelf bewonen. ‘Sprekende portretten’ worden zij, een nieuw artistiek genre? Geen illustraties, maar innerlijke monologen die zich openstellen voor dialoog. Lichamen spelen een gesofisticeerd spel, transformeren, bevragen zichzelf. Niets is stabiel. Betekenis glijdt.

 

Geen instabiliteit echter zonder vele vormen van hilarische vreugde. Kat schept een verbeelding waarin de lach thuis is, oneerbiedig, relaxerend. ‘YOU WANT MEUR?’ vraagt een bevrijde oksel. ‘REBEL WITHOUT A KOUS’, klaagt een linkerbeen.

Onstabiele portretten blazen de oude mythologie op, patriarchale ficties uit Kerk en Staat wankelen. In Kats mythologie eigent de vrouw zich het gouden aureool toe, op haar eigen voorwaarden. Het lichaam, hart van deze tentoonstelling, is geen instrument meer. Het werd een soeverein territorium. In de bewegende ruimte tussen fascinans en tremendum wordt het een symbolisch strijdveld tussen oude en nieuwe regimes van licht.

Haar devies blijft: I own me.

En niemand die zich ermee moet bemoeien.

Want: I will always rise in wild fires.

 

Kat eigent zich de mythische heiligheid van vuur en licht toe, niet als een gave van bovenaf, maar als innerlijke bron. Daarom is zij niet langer muze, noch slachtoffer. Noch Eurydice, noch Persephone.

Zij wordt oorsprong.

En met haar kan ieder van ons dat worden.

Het volstaat de ogen te openen.