Overslaan naar inhoud

Over de kluizenaar diep in ons

Prof. Em. Freddy Decreus
6 juni 2026 in
Over de kluizenaar diep in ons
Stichting DeNode, Kristof Vander Cruyssen

Met John Robinson ontstaat er geen nieuwe mythe in de klassieke zin van het woord. Er staat geen held op om de chaos te overwinnen, er wordt geen goddelijke orde hersteld, en geen enkel verhaal heelt voor eens en voor altijd de breuken van de tijd.
Wat in de plaats daarvan verschijnt is iets dat veel breekbaarder is: een schroomvolle herbetovering van een onttoverde wereld. Het is alsof de mythe niet langer kan bestaan als een gesloten en soeverein systeem, maar alleen nog als een flakkerend spoor, een echo die dwaalt door een hol landschap van tekens.

Binnen deze overgangswereld keren oude figuren terug: de Dood, de Ster, de Maan, de Kluizenaar. Maar ze dragen niet langer de zekerheden met zich mee die hen ooit omringden. Ze verschijnen als spectrale restanten van het culturele geheugen, losgezongen van hun oorspronkelijke context, drijvend door ruimtes van leegte en stilte.

Hun aanwezigheid schept geen helderheid; ze ontregelt. De mythe wordt niet gereconstrueerd maar opengebroken, ontdaan van haar ideologische harnas totdat er alleen nog een kwetsbare kern van existentiële ervaring overblijft.
In het centrum van deze vernieuwde mythologische ruimte staat de figuur van de Kluizenaar. Niet als een wijze meester die de weg kent, maar als een liminaal wezen, zwevend tussen verdwijning en verschijning, tussen cultuur en innerlijkheid, tussen leven en dood.

De Kluizenaar trekt zich terug uit de oververzadigde wereld van beelden en slogans, uit de uitgeputte taal van vooruitgang en identiteit. Zijn eenzaamheid is geen vlucht, maar een noodzakelijk gebaar van verzet. In een tijdperk waarin collectieve betekenissen afbrokkelen, wordt terugtrekking een spirituele daad: een poging om opnieuw te luisteren naar wat er nog ademt onder de ruïnes van de cultuur.

En toch blijft er een verontrustende vraag echoën door Robinsons universum:
Is dit alles wat we kunnen doen?
 
Kluizenaars worden tragische figuren die dwalen door een wereld 'Ohne People', ontdaan van gemeenschappelijke zekerheid en in de steek gelaten door de verhalen die ons ooit overeind hielden. "Vertrouw nooit de beelden van de wereld," lijken de werken te fluisteren, "want elk beeld is tijdelijk, elke representatie is verstrikt in macht." Het podium verandert in een veld van gebroken spiegels waarin het bewustzijn zelf wankelt, waar we er allemaal achter komen dat we ons verhaal niet coherent kunnen houden. Identiteit versplintert. Continuïteit lost op. De mens verliest zijn greep op de verhalen die ooit de werkelijkheid ordenden.



In die zin lijken Robinsons figuren gevangen in een staat van existentiële teruggang (‘existential backtracking’). Een beweging die niet vooruitgaat, maar tegelijkertijd naar binnen en naar achteren is gericht: naar de terugtrekking, naar de stilte, naar de ontmanteling van zekerheid.

De Kluizenaar wordt verwant aan de dwalende verschoppeling, aan Herzog, aan Thug, ontheemde zielen die zich bewegen doorheen de ruïnes van uitgeputte betekenis. Men voelt in deze werken impressies van een post-Covid-bewustzijn: een wereld getekend door isolatie, onderbroken rituelen, rouw en de plotselinge kwetsbaarheid van alle menselijke structuren. De dood verschijnt niet langer als abstracte symboliek, maar als een intieme en collectieve wonde die stilzwijgend onder de oppervlakte van het dagelijks leven wordt meegedragen.

Daarom dragen Robinsons rituelen een vreemde, trillende spanning in zich. Ze lijken op spirituele séances, gebaren zonder vast geloof, bewegingen die tegelijkertijd leeg en geladen zijn. En toch, ondanks alles, brengen ze mensen samen; er hangt een gevoel van eenheid in de lucht, maar is die oprecht en betrouwbaar? Het is alsof de performers langzaam de uitgeholde symbolen van de westerse cultuur afpellen om een diepere innerlijke resonantie terug te vinden. Wat telt is niet het herstel van een gedeelde waarheid, maar de ervaring van de onzekerheid zelf, het vertoeven in een liminale toestand waarin oude zekerheden sterven voordat er al nieuwe vormen zijn geboren.
Soms suggereert Robinsons werk een iconoclastische impuls: moeten schilderijen zelf worden geruïneerd omdat ze slechts representaties zijn van een wereld die we moeten achterlaten? Moeten beelden in elkaar storten zodat de waarneming zelf opnieuw kan beginnen? De vernietiging van de representatie is hier niet louter nihilistisch; ze wordt voorbereidend, bijna ritueel, een opruimen van uitgeputte symbolische systemen om de mogelijkheid van een ander begin te heropenen.



Deze liminaliteit bereikt een bijzondere intensiteit in Thangka, waar een nieuwe tussenruimte ontstaat. Een plek waar de oude "Leviathan" sterft: de rigide structuren van macht, identiteit en culturele vanzelfsprekendheid. Wat overblijft is geen triomfantelijke wedergeboorte, maar een open veld van mogelijke transformaties. Een breekbaar terrein waarin overtuigingen weer vloeibaar worden en het individu zichzelf opnieuw moet uitvinden tegenover de onmetelijkheid van leven en dood.
Robinsons nieuwe metaforen – de mug, het verkrampte hoofd – functioneren op dezelfde manier. Het zijn geen stabiele symbolen binnen een nieuwe mythologie van het ego, maar symptomen van een wereld die haar vaste betekenissen heeft verloren. Toch ligt precies daarin hun kracht. Want door te weigeren de leegte te verhullen en deze in plaats daarvan zichtbaar te maken, openen ze een ruimte van nederigheid. Geen heroïsche mythologie van het zelf, maar een kwetsbaar bestaan dat leert hoe te vertoeven in onzekerheid.

En zo wordt de Kluizenaar uiteindelijk de centrale figuur van deze overgangstijd. Niet omdat hij antwoorden bezit, maar omdat hij de moed heeft om zich terug te trekken in de stilte tussen oude en nieuwe werelden. Hij bewaakt een innerlijke ruimte waarin de mens, ontdaan van zijn culturele maskers, opnieuw wordt geconfronteerd met de elementaire vragen over sterfelijkheid, verlies en transformatie.

Misschien is deze terugtrekking niet het einde van de reis. Misschien markeert het wat de Tarot de Nulpositie noemt, de plek die de Dwaas inneemt, het archetype van het potentieel. De figuur die aan de rand van de afgrond staat met bijna niets bij zich, ontdaan van zekerheid, identiteit en bestemming. Niet die triomfantelijke held van de klassieke mythe, maar de breekbare reiziger van een verbrijzeld tijdperk. De Dwaas stapt voorwaarts zonder garanties, en begint opnieuw precies ómdat alle voorgaande werelden uit elkaar zijn gevallen.

In Robinsons universum is terugtrekking daarom geen einde, maar een noodzakelijke drempel: een verduisterde plek waar betekenis en existentiële oriëntatie op een totaal andere manier kunnen ontstaan, waar de ziel, na de ineenstorting van uitgeputte representaties, opnieuw durft te beginnen.


Em. Prof. Decreus schreef deze tekst in het kader van de performances en de tentoonstelling PEOPLE RUIN PAINTINGS van John Robinson in stichting DeNode gecureerd door Hanna Ouaziz  - 14 februari - 28 april 2026


Deel deze post
Labels
Archiveren