
Hij staat midden op een tafel, bedekt met een zwart doek. Ook hij is erin gewikkeld, vastgezet in zijn eigen enscenering. Telkens wanneer hij zich omdraait, blijft de stof haken en dreigt ze de tafel mee te sleuren. Het gebaar is onhandig, bijna potsierlijk. We lachen — een nerveuze lach.
John Robinson trekt kaarten uit het tarotdeck en vraagt ieder van ons er drie te kiezen — het verleden, het heden, de toekomst. Hij spreekt onophoudelijk, gedragen door die onstuitbare, bijtende Engelse humor. Alles lijkt geïmproviseerd, absurd zelfs — en toch valt elk woord met een bijna meedogenloze precisie op zijn plaats. Wat hij blootlegt, snijdt tot op het bot: liefde, verraad, ontgoocheling, schaamte. Het publiek wankelt tussen vermaak en ongemak.
Tijdens People Ruin Paintings bracht John Robinson drie performances die de basis vormen voor toekomstige schilderijen.
Op de gelijkvloerse verdieping werd een collectief alfabetbord geactiveerd, samengesteld uit zesentwintig letters en twee extra kaarten — YES en NO. Deelnemers plaatsten opgerolde schilderijen over hun hoofd, waardoor doeken voorlopige maskers werden die het gezicht verhulden en het lichaam tegelijk tot deel van het spreekapparaat maakten. Vragen werden gericht aan ongeziene aanwezigheden, terwijl Robinson de resulterende letters en antwoorden op een whiteboard noteerde en de seance zo vertaalde naar een publieke oefening in onstabiele notatie. Het werk draaide om de spanning tussen oprechte aanroeping en evident falen: taal verscheen enkel in fragmenten, samenhang bleef eeuwig uitgesteld, en de belofte van communicatie werd net door haar mislukking in stand gehouden. Zo ensceneerde het ritueel geen openbaring, maar het voortduren van verlangen tegenover de eigen onmogelijkheid.
Een lange tafel, gedrapeerd in zwart doek, werd het toneel van langgerekte tarotsessies. Bezoekers kozen kaarten voor verleden, heden en toekomst, die de kunstenaar in het openbaar voorlas. Het format weigerde privacy: de duiding voltrok zich voor de hele zaal, met gêne en blootstelling als structureel materiaal in plaats van bijkomstig effect. In het midden van de tafel verscheen Robinson door een opening in het doek, dat tegelijk als zijn gewaad fungeerde, zodat de performance lichaam, kostuum en podium tot één doorlopend oppervlak verbond. Die opstelling was cruciaal voor de logica van het werk. Ze maakte de kunstenaar tegelijk tronend en gevangen, celebrant en aanhangsel van het apparaat dat hij zelf had gebouwd, en gaf de lezing een onstabiele autoriteit: deels orakel, deels spektakel, deels zelfgekozen verstrikking. Divinatie werkte hier niet als voorspelling, maar als een apparaat om auteurschap en controle te testen — wie mocht spreken, wie leesbaar werd gemaakt, en hoe een "lezing" de handelingsmacht herverdeelde tussen performer en deelnemer.
Op de bovenverdieping verschoof de performance van divinatie naar een bewust abject lichamelijk ritueel. De kunstenaar onderging een reeks opeenstapelingen en vernederingen — bekogeld met eieren, bedekt met bloem, overgoten met chocoladesaus — zodat het lichaam gaandeweg veranderde in een oppervlak van exces, slapstick en vernedering. De scène bewoog met een soort louche theatraliteit, waarin camp, klucht en schending nauwelijks te scheiden vielen. Robinson stapte vervolgens in het bad voor een geënsceneerd doopsel, om er met opblaaszwaarden en bananen te worden geslagen — een voortzetting van de onstabiele slingerbeweging van de handeling tussen schijnritueel en beproeving. Niets lost hier op in zuivering of transcendentie. De performance drijft het lichaam integendeel naar uitputting, en laat residu na in plaats van verlossing.
















